Is er een fikkie in webloggend Nederland, tien tegen een dat de aansteker is te vinden op GeenStijl. Deze dagen treedt het door journalisten volgeschreven weblog voor de verandering op als zedenmeester. Schande dat een veroordeelde moordenaar vanuit de cel op een betaalde website zijn eigen misdaden kan exploiteren! Als minister Donner van Justitie de site van Martin K., alias de Stotteraar, niet uit de lucht haalt, zal de schare stijllozen zelf het klusje wel klaren. Maar niet voordat het gruwelijke materiaal van www.martink.nl naar GeenStijl is gekopieerd natuurlijk, het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet gaan kan.

Misdaad mag dan misschien niet lonen, de wereld van ‘seks, drugs en criminaliteit’ (dixit Martin K.) herbergt een zekere mate van romantiek, zeker als de risico’s slechts virtueel zijn. Het stikt dan ook van de online mafia-simulaties. Op sites als Gangsta War en Omerta bouwen webwiseguys aan digitale drugsimperia. Nederlandse scholieren proberen op Mobstar massaal te promoveren van ‘low life’ tot godfather. Donny Brasco in de polder.

Ook de sterke arm ontdekt het net. Steeds meer korpsen bieden de mogelijkheid van kleine delicten aangifte te doen via www.politie.nl. Kees den Bakker van het Nederlands Politie Instituut is ambivalent over het succes van de site: ‘Het aantal aangiften is gestegen met tien procent, maar daarmee verlagen we wel ons eigen oplossingspercentage.’

De lente hangt in de lucht, het witbier schuimt op de terassen en Martin Bril werkt aan een stuk over rokjesdag, de dag waarop ‘als bij toverslag de straten ineens zijn gevuld met blote benen’. Dus laptop onder de arm en op naar het park. Lekker mobiel internetten. Eerst even kijken op de kakelverse website voor het vinden van hotspots. Nee, niet de plaatsen met de meeste rokjes, maar de locaties waar draadloos internet beschikbaar is via wifi.

Het idee achter wifi (geen ‘wiefie’ maar ‘waifai’, als in hifi) is even eenvoudig als geniaal. Door radiogolven te gebruiken in plaats van kabels worden internetverbindingen razendsnel en nog draadloos ook. Enige voorwaarde: de computer moet in de buurt zijn van een wifi-antenne. En die bevinden zich dus op zogeheten hotspots.

Wifi is hip. Cafés, strandtenten en hotels die mee willen tellen, beschikken over een hotspot. Wifi is voor idealisten, zoals die van GaatDraadloos die streven naar een vrij toegankelijk, draadloos netwerk in heel Nederland, te beginnen in Rotterdam. En wifi is er om geld mee te verdienen, bijvoorbeeld door provider HubHop, die begin dit jaar werd overgenomen door KPN.

De vraag is of KPN geen kat in de zak heeft gekocht. Volgens Planet Internet loopt de exploitatie van wifi slecht. Dodelijker is een stuk op Netkwesties. Daar worden hotspots vergeleken met greenpoints, de plaatsen waar je kon bellen met de eerste mobiele telefoon van KPN – de jammerlijk mislukte kermit.

De markt voor spelcomputers stort volgend jaar met donderend geraas in elkaar. Ga maar na, analyseert David Wong op www.pointlesswasteoftime.com; de ontploffing waarmee je de tegenstander naar de andere wereld stuurt is misschien net iets realistischer, maar verder is het verschil tussen de nieuwste shoot-m-up en die van zeven jaar geleden nihil.

Komt na 45 jaar een eind aan de ontwikkeling van het computerspel? Wie weet heeft Wong gelijk en nadert het gamesdesign de grenzen van de techniek. Mooi, dan blijft meer tijd over voor de gameplay, de speelbaarheid. Gratis spelletjes op het web als de telescope- en de laser-game bewijzen dat simpel vaak gelijk staat aan verslavend en dat hyperrealisme omgekeerd evenredig is aan originaliteit.

Vraag niet waarom, maar pingu�ns doen het altijd goed in spelletjes. Momenteel zijn ze een hit op www.yetisports.org. Letterlijk, want bezoekers van de razend populaire site komen vooral om de sympathiek waggelende vogels zo ver mogelijk weg te meppen. De Yetisports zijn online te spelen, maar ook op de mobiele telefoon. De hooggespannen verwachtingen rond mobile gaming worden overigens danig getemperd door de tegenvallende resultaten van Nokia’s speltelefoon N-Gage.

Met dank aan Erwin van der Zande

Hoezo, wereldwijd web zonder grenzen? ‘Bezoekers uit Nederland niet gewenst’, prijkt prominent op www.lindows.com. De Amsterdamse rechtbank heeft linuxvariant Lindows verboden omdat het in naam teveel lijkt op dat andere besturingssysteem. Een beetje kinderachtig is het wel van Microsoft. Zo’n handvol Nederlandse nerds, wat kost dat nou? Bill Gates kan zich beter zorgen maken over Hewlett-Packard, dat vanaf juni Linux-pc’s gaat verkopen aan een miljard Chinezen.

HP verwezenlijkt een oud ideaal van propagandisten van open source-software. Programma’s als Linux zijn vaak goedkoop of zelfs gratis en door de openbare broncode gemakkelijk voor specifiek gebruik aan te passen. Ideaal voor ontwikkelingslanden. Maar bijvoorbeeld ook voor de Nederlandse overheid die een website in het leven heeft geroepen om het gebruik ervan te stimuleren. Om ook maatschappelijke organisaties over de streep te trekken gaat komende dinsdag www.disc.nl van start, een site speciaal bedoeld voor buurtverenigingen, sportclubs en vrijwilligersorganisaties die met open source-software aan de slag willen.

De groeiende populariteit van alternatieve software heeft ook nadelen. Niet alleen Microsoft ziet zijn belangen bedreigd, ook andere bedrijven zetten de open source-beweging de voet dwars. Bovendien heeft het succes van Linux de aandacht getrokken van hackers. Lindows en andere linuxvarianten blijken vaak net zo lek als de vermaledijde concurrent.

Zijn er nog idealisten in de zaal? Bij de rëunie van provider De Digitale Stad in ieder geval wel. Daar bleek menig pionier van mening dat het wezen van internet is verpest door de commercie. Volgens early adaptors was het web bedoeld voor de onbeperkte uitwisseling van informatie, zonder sturing door overheid of bedrijfsleven. Dat het net zijn bestaan dankt aan het Pentagon en pas aansloeg toen de commercie zich ermee ging bemoeien, wordt voor het gemak vergeten.

Boegbeeld van internet-idealisme is Tim Berners-Lee. De grondlegger van het web ijvert voor een verbeterde versie van zijn uitvinding; intelligente websites die met elkaar communiceren als een digitaal organisme. De contouren van dit semantic web zijn al zichtbaar op weblogs die automatisch informatie delen via bijvoorbeeld RSS en intelligente verbanden leggen middels technieken als trackback. Maar het best vinden de oude oude idealen en nieuwe technieken elkaar in de wiki.

Een wiki is een website waarop bezoekers zelf informatie kunnen toevoegen of aanpassen. Er zijn wiki’s over specifieke onderwerpen en wiki’s die over alles gaan, zoals Wikipedia, een enorme interactieve encyclopedie. Ook journalisten hebben het gemak van de wiki ontdekt. Klakkeloos knippen en plakken wordt echter bestraft. Het grote voordeel van een wiki – doorlopende redactie door een oneindig aantal auteurs – is tegelijk ook het grote nadeel; omdat een eindredactie ontbreekt, bevat de informatie veel fouten.

Economie zit vooral tussen de oren. De internethype en de daaropvolgende onderwaardering van het web vormen daarvan het ultieme bewijs. Journalisten zijn net mensen, zelfs als ze werken voor internet. In navolging van het voorzichtig optimisme over het aantrekken van e-commerce vertoont dus ook het zelfvertrouwen van de internetjournalistiek een stijgende lijn.

Uit onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) blijkt dat op internetredacties de somberheid van de afgelopen jaren heeft plaatsgemaakt voor opgewekt vertrouwen in de toekomst. Webjournalisten nemen hun werk serieus, zo blijkt. Natuurlijk, nieuwssites leunen vaak zwaar op het moedermedium – krant, tijdschrift, televisie- of radioprogramma. Maar van simpelweg knippen en plakken is geen sprake. De inhoud van de Nederlandse nieuwssites is geen ‘shovelware’.

Pardon? Maakt de publieke omroep niet juist reclame voor www.uitzendinggemist.nl waar radio- en televisieprogramma’s integraal kunnen worden beluisterd of bekeken? En vertalen niet steeds meer kranten – waaronder sinds kort de Volkskrant – hun papieren versie één-op-één naar een pdf-versie voor het web, inclusief hoerenjongens en zetduivels? Journalistiek medium? Distributiekanaal!

Dezelfde NVJ concludeerde afgelopen zomer nog dat ‘echte internetjournalistiek, te definiëren als zelfgemaakt nieuws, met webspecifieke middelen gepresenteerd’ in Nederland niet bestaat. Geen laaglandse tegenhangers www.neonsky.com en joeweiss.com. Geldgebrek, tijdgebrek, technische problemen, akkoord. Maar vanwaar dan toch dat optimisme?

Hobby. Het kost moeite een burgerlijker woord te bedenken. Sporten, doe-het-zelven, ballet-bezoek, volgens het woordenboek vallen al deze liefhebberijen onder de definitie hobby, maar geen zichzelf respecterend mens zal ze zo benoemen. Bij hobby’s denk je aan de keukentafel vol postzegels of een pottenbakkersschijf in de bijkeuken. Of nog beter: de spoortrein op zolder.

De modelbouwer is het archetype hobbyist. Einzelgängers zijn het, die zich in eenzaamheid overgeven aan hun passie. Slechts aan soortgenoten tonen zij hun werkelijke aard, zoals dit weekend op Luchthaven Lelystad, waar het Aviodrome onderdak biedt aan een Modelbouwfestival.

Maar de miniatuurfetisjist beleeft zijn coming-out! Op het web komen zijn creaties uit de kast. Het wemelt van de pagina’s met modelbouwvliegtuigjes en miniatuurtreintjes. Veel sites doen pijn aan je ogen, maar er zijn ook uitzonderingen. Zoals de thuisbasis van de Pixelito, een miniatuurhelikopter ter grootte van ene hamster die werkelijk kan vliegen. Of www.paperplane.org, waar het vouwen van papieren vliegtuigjes is verheven tot kunst en wetenschap ineen.

En dan hebben we het nog niet gehad over Lego. Precies, die steentjes uit Denemarken. Speelgoed? Welnee, je kunt er robots van maken, of automatische geweren. Je kunt films mee naspelen, al dan niet voor boven de achttien. Of je bouwt een replica van Escher’s trappenhuis, inclusief gezichtsbedrog. Steentjes weggegeven aan je neefje? Geen probleem, online bouwen gaat net zo makkelijk.

Rondblaaier (browser), terugvalkopie (backup), inpropprogram (plug-in); de lijst met Zuid-Afrikaanse vertalingen van ‘rekenaarverwante terme’ telt vele juweeltjes. Maar de mooiste vondst is Kuberruim.

Kuberruim staat voor cyberspace, de virtuele wereld die enkel bestaat bij de gratie van enen en nullen. Of, in de woorden van de Amerikaanse schrijver William Gibson, ‘de grafische weergave van gegevens, ontleend aan de databanken van alle computers in het wereldwijde netwerk.’ Gibson introduceerde de term in Neuromancer, een sciencefiction-roman uit 1984. Dat was vijf jaar voor de uitvinding van het web.

Is internet anno 2004 de verwerkelijking van de kuberruim? Niet echt. De meeste mensen gebruiken het net om te e-mailen, te chatten of om dingen op te zoeken. Het web als telefoon en telefoonboek ineen. Maar Gibson’s cyberpunks winnen terrein. Ze houden huis op sites als www.there.com en www.secondlife.com, waar virtuele werelden griezelig echt aandoen. Of ze hangen rond op Global Stage, het digitale poppodium van de Amstelveens cultuurtempel P60.

Naar optredens luisteren, kletsen aan de bar, flirten op de dansvloer, alles wat kan in P60, kan ook online. Wat niet kan in real live: overstappen naar een concertzaal elders in de wereld. De keus is nu nog beperkt tot Amstelveen of Helsinki. Later dit jaar zullen podia uit tien verschillende landen optredens gaan uitzenden via www.globalstage.tv. Dus wie weet binnenkort live op het scherm: ‘opreggeteelde Afrikaanse musiek’.

‘The largest legal creation of wealth in the history of the planet.’ Tot vervelens toe herhaalde durfkapitalist John Doerr zijn typering van de beginjaren van het web, toen een businessplan paste op een a-viertje en gesjeesde studenten op slag miljonairs werden na weer een gehypte beursgang. Maar de goudaders van Silicon Valley droogden op. Na de nodige miljarden leergeld bleek dat ook e-commerce gehoorzaamt aan de wetten van vraag en aanbod, prijselasticiteit en de afnemende meeropbrengst. Doerr maakte zijn excuses, de nieuwe economie raakte in vergetelheid.

Maar het tij keert! Er wordt weer geinvesteerd in het web, internetbedrijven staan in de rij voor een beursgang en de online advertentiemarkt zit in de lift. Exemplarisch is het Amerikaanse bedrijf Eyeblaster. Het schrijft winst in dubbele cijfers en wist onlangs acht miljoen durfkapitaal los te peuteren.

Eyeblaster maakt ‘rich media’-advertenties: banners die onverwacht over je webpagina heenschuiven. Irritant, maar noodzakelijk in de battle for eyeballs, de strijd om aandacht van de bezoeker. Die weet banners op een vaste plaats namelijk verassend goed te negeren, blijkt uit Eyetracker, een online onderzoek dat de oogbewegingen van websurfers in kaart brengt.

Eyetracker is trouwens niet alleen nuttig voor adverteerders. Menig webdesigner kan er een hoop van leren. Voorbeelden van teenkrommend lelijke en gebruiksonvriendelijk ontwerpen ( ‘desing’ in jargon) zijn er genoeg, zowel in parodie als in het wild.

Zo staat commissaris Yezhov nog te pronken naast kameraad Stalin, zo is hij verdwenen. Het knoeien met foto’s heeft een lange geschiedenis, en het ministerie van propaganda in de communistische heilstaat had het tot een ware kunst verheven. Een digitale tentoonstelling op www.newseum.org biedt een overzicht van het betere retoucheerwerk.

Dat was vroeger, toen beeldmanipulatie nog was voorbehouden aan alchimisten in donkere kamers. Tegenwoordig zijn er computerprogramma’s als Photoshop en is niets meer wat het lijkt. ‘Funshoppen’ – of ‘fotofucken’, zoals het bewerken van plaatjes ook wel wordt genoemd – is een van de populairste bezigheden op internet. Meestal zijn de resultaten van de digitale huisvlijt amateuristisch, maar de inzendingen voor de dagelijkse Photoshop contest van Worth 1000 doen griezelig echt aan. De afgelopen week stonden onder meer The Sound of Music en – natuurlijk – Janet-oeps-daar-gaat-mijn-borst-Jackson op het programma.

In eigen land is Foto Fuck Vrijdag van weblog Retecool een begrip. Maar waarom zou je je beperken tot beeld? Sinds kort organiseren de heren achter Retecool dus ook wedstrijdjes audiofucken. Het knippen en plakken van radiojournaals is in korte tijd een rage geworden. De NOS staat het voorlopig oogluikend toe. De beste inzendingen worden zondagavond uitgezonden in het jongerenprogramma Buzz op Radio 3.