E=mc2

Time Magazine koos hem tot man van de twintigste eeuw. Vrijwel iedereen kent de formule waarmee hij beroemd werd. Maar wie was Albert Einstein? En wat betekent E=mc2 nu eigenlijk?

Hij moet een vreselijke leerling zijn geweest. Niet voor niets werd zijn leraar Grieks onsterfelijk door de woorden: ‘Er zal nooit iets van jou terechtkomen.’ Albert Einstein lette niet op in de klas en spijbelde regelmatig. Later, op de Technische Hogeschool te Zürich, weigerde hij stelselmatig een van zijn docenten aan te spreken met ‘professor’.

Dat kwam hem duur te staan. Toen Albert in 1900 afstudeerde, zorgde diezelfde Herr Professor ervoor dat hij nergens aan de slag kon als wetenschapper. In de online editie van The Scientist is een lijst met Einsteins sollicitatiebrieven te vinden, een hart onder de riem voor iedereen die op zoek is naar een baan.

Uiteindelijk vond de jonge Albert in 1902 werk bij de octrooiraad in Bern. Daar had hij tijd genoeg om na te denken over natuurkunde. Het jaar 1905 was Einsteins annus mirabilis. In een paar weken tijd formuleerde hij zijn relativiteitstheorie. In enkele alinea’s naschrift deed hij vervolgens de formule uit de doeken waaraan hij zijn beroemdheid dankt: E=mc2.

Maar wat betekent die formule eigenlijk? Het antwoord is te vinden in E=mc2; A Biography of the World’s Most Famous Equation van David Bodanis. In een mix van geschiedschrijving en natuurkunde legt deze wiskundige in gewonemensentaal de ontstaansgeschiedenis van de formule uit. Het boek verbindt wetenschappelijke ontdekkingen met verhalen over liefde, passie, wraak en heldenmoed. Waar de techniek te diepgaand wordt, verwijst de schrijver naar zijn website voor meer informatie. Een symbiose van oude en nieuwe media.

De E in de formule, zo legt Bodanis uit, staat voor Energie (warmte, elektriciteit, beweging et cetera). De m is massa, de materie waaruit alle tastbare voorwerpen zijn opgebouwd. De c representeert de lichtsnelheid. Einstein ontdekte dat materie eigenlijk gestolde energie is. Het enorme getal van de lichtsnelheid in de formule maakt duidelijk dat een heel klein beetje materie een geweldige hoeveelheid energie herbergt. Op de site Einstein, Image and Impact legt de meester het zelf nog eens uit, in dat typische Duitse accent.

Het duurde even voordat dit revolutionaire inzicht tot de wetenschappelijke wereld was doorgedrongen. Maar in de jaren twintig en dertig waren fysici over de hele wereld op zoek naar een manier om materie om te zetten in energie. En wat lag meer voor de hand dan te beginnen bij de bouwstenen van alle materie, de atomen?

Zoals vaker in de geschiedenis bracht oorlog de wetenschap in een stroomversnelling. In 1939 brak de Tweede Wereldoorlog uit. Einstein, van joodse afkomst, was allang naar Amerika gevlucht. Van vrienden uit Europa vernam hij dat Duitse wetenschappers probeerden een wapen te maken met behulp van zijn formule. Hij scheef twee alarmerende brieven aan president Roosevelt. De originele brieven zijn te lezen op The Albert Einstein Homepage.

Dankbaar was FDR niet. Op de tweede brief kreeg Einstein niet eens antwoord. De FBI vond zijn socialistische en zionistische denkbeelden maar verdacht en wilde niets met Einstein te maken hebben. Maar indirect leidden de brieven ertoe dat ook Amerika onderzoek ging doen naar de vernietigende kracht van E=mc2. In 1942 startte The Manhattan Project. Het project werd succesvol afgesloten op 6 augustus 1945, om 8.16 uur in de ochtend: boven Hiroshima, Japan.

Over The Manhattan Project is veel te vinden op het web. Een goed startpunt is de website van The National Atomic Museum. Minder bekend, maar veel interessanter, is het Duitse atoomprogramma. Het had niet veel gescheeld of de Duitsers hadden eerder dan de Amerikanen een atoombom ontwikkeld, legt Dan Johnson op zijn website uit. Over de gevolgen wil je liever niet nadenken.

Maar ook zonder de Duitse bom beheerst Einsteins formule sinds 1945 de geschiedenis. De geestelijk vader van E=mc2 vond dat vreselijk, zo blijkt uit Albert Einstein Archives. Al was hij zelf niet bij The Manhattan Project betrokken, Einstein voelde zich toch verantwoordelijk. Na de oorlog zette hij zich in voor ontwapening en de vorming van een wereldregering. En wat verwacht je ook anders van een man die het denken over zwaartekracht Einstein’s web
radicaal veranderde, maar ook zei dat ‘gravitation can not be held responsible for people falling in love’?

Lesmateriaal

De digitalisering van het onderwijs is een van de speerpunten van het ministerie van OC&W. Maar hoe staat het eigenlijk met het multimediale lesmateriaal?

Hoe zou het toch zijn met Kennisnet? Er waren tijden dat je elke week wel iets las over dit ambitieuze plan het Nederlandse onderwijs op te stuwen in de vaart der volkeren. Het voorstel kwam van oud-minister van Onderwijs Jo Ritzen: verbindt alle scholen met elkaar door een snelle kabelverbinding en ontsluit zo de schat aan kennis op internet. ‘Kennisnet’ is de naam zowel voor dit netwerk als voor een grote website die dient als toegangspoort naar de educatieve rijkdom van het web.

Leuk plan, vooral als je het niet zelf meer hoeft uit te voeren. De nobele taak het onderwijs te digitaliseren kwam voor rekening van Ritzens opvolger Hermans. Het werd een lijdensweg. Vanaf het begin was er gedonder. Hermans vond dat de kosten van Kennisnet best mochten worden gedrukt door wat gezonde reclame op de website. Daar was een ruime Kamermeerderheid het niet mee eens. Dus kwamen er filters die de tere kinderziel moesten beschermen tegen de oprukkende commercie.

Die filters bleken niet toereikend. Kamerleden die een kijkje namen op het peperdure Kennisnet wisten zonder problemen de weg te vinden naar sites als die van Walt Disney, en zaten bovendien ‘binnen de kortste keren bij Playboy en andere vieze plaatjes’. En als dat Kamerleden al lukt, dan lukt het scholieren zeker. Ook was er forse kritiek op de uitvoering: die zou te langzaam gaan, en vooral veel te duur zijn.

In juli was de miljoenste Kennisnet-aansluiting een feit. Voor het eind van het jaar moet het netwerk compleet zijn. Als dat achter de rug is, blijft nog én probleem over: de inhoud. Veel scholen klagen over gebrek aan bruikbaar lesmateriaal op de website. Wat is er bijvoorbeeld over geschiedenis te vinden op Kennisnet?

Het antwoord: links, heel veel links. In de mediatheek zijn per vakgebied verwijzingen naar externe sites opgenomen. De lijst voor geschiedenis doet een beetje willekeurig aan. Naast een gedegen educatieve website als Geschiedenis.Net staat een verwijzing naar De Onafhankelijke Senaatsfractie, een eenmansfractie die regionale partijen als Leefbaar Gelderland en de Fryske Nasjonale Partij vertegenwoordigt. Verwijzingen naar andere politieke partijen ontbreken. Verder veel musea en wat losse verwijzingen naar bijvoorbeeld de Wilhelmus-pagina en een site over de Anne Frank Cantate, een muziekstuk over de jodenvervolging. Maar een link naar de website van het Anne Frank Huis is niet opgenomen.

Docenten hebben een eigen afdeling op Kennisnet. De pagina voor geschiedenisleraren opent met een minder vrolijke mededeling: ‘Helaas zijn er te weinig aanmeldingen om de Nationale Community Dag op 13 juni aanstaande doorgang te laten vinden.’ De belangrijkste inhoudelijke informatie bestaat uit een tiental uitgewerkte opdrachten voor de leerlingen.

Komt het dan nooit meer goed met het multimedia-onderwijs? Natuurlijk wel. Educatieve uitgeverijen als Wolters-Noordhoff zijn druk bezig met het ontwikkelen van digitale lespakketten. De website bij de geschiedenismethode Sporen is nog in aanbouw, maar laat goed zien hoe het web iets kan toevoegen aan conventionele lesmethoden.

Ook het Duitslandinstituut in Amsterdam (DIA) timmert al jaren flink aan de weg als het gaat om digitale lesprogramma’s. De site van het DIA biedt toegang tot het Duitsland Informatie Net. Achter deze wat fantasieloze naam schuilt een schat aan informatie over het naoorlogse Duitsland. Niet alleen geschiedenis, ook politiek, geografie, cultuur en literatuur komen aan bod.

Daarnaast geeft het DIA educatieve cd-roms uit. Vorig jaar is er een schijfje gemaakt voor het eindexamenonderwerp Duitsland en Europa 1945-2000. Deze zomer verscheen Kruispunt Berlijn, een ‘vak-overstijgende educatieve cd-rom voor de gammavakken’. Het geheel ziet er gelikt uit. Een metroplattegrond dient als navigatie-instrument. Een interactief museum vormt de basis van de cd-rom. Daarnaast zijn er verschillende onderdelen waarmee de leerlingen spelenderwijs wegwijs worden gemaakt in onderwerpen als ‘de Koude Oorlog’, ‘de geografie van Berlijn’ en ‘de sociale problemen van een wereldstad’. Een fictieve bustour, zelf voor burgemeester spelen – het kan allemaal. Foto’s, filmpjes en links naar het web ontbreken niet. De cd-rom is geschikt voor meerdere schooltypes.

Zowaar is op Kennisnet een verwijzing naar het Duitslandinstituut te vinden: niet onder Geschiedenis, maar onder Duits.

Virtuele musea

Persoonlijker en interactiever – dat is de trend in de virtuele museumwereld. Maar uit een experiment van het Joods Historisch Museum blijkt dat surfers liever bij het handje worden genomen.

Het gaat niet goed met internet. Nog iedere dag komen er websites bij, het aantal gebruikers neemt nog steeds toe en de verbindingen worden sneller. Maar toch gaat het niet goed. De ene na de andere dotcom gaat failliet, kranten en televisiestations snijden in hun internetredacties, adverteerders laten het afweten. Waarom? Omdat met het web geen droog brood te verdienen is. Op een enkele pornobaas na is het nog niemand gelukt winst te maken op het web. En misschien gaat dat ook wel nooit gebeuren. Internet blijkt niet de kip met de gouden eieren die iedereen erin wilde zien.

Van deze malaise is niets te merken wanneer je de bijdragen aan de jaarlijkse conferentie Museums and the Web doorbladert. Van de sprekers, afkomstig van alle continenten behalve Antarctica, is er niet én die zich afvraagt wat een museum eraan heeft duizenden guldens in een website te steken. Integendeel, de boodschap in veel voordrachten luidt dat het allemaal nog subtieler, nog mooier, nog groter en dus nog duurder moet.

Een van de meest ambitieuze plannen komt uit Griekenland. Daar is een consortium van musea bezig een tourbot te ontwikkelen: een persoonlijke gids die de websurfer langs het online cultuurgoed moet leiden. De tourbot is exemplarisch voor de trend in de virtuele museumwereld: het moet vooral persoonlijker.

Dat was ook de gedachte van het Joods Historisch Museum. Dit museum is een van de weinige Nederlandse musea die zijn volledige collectie online presenteert. Begin mei lanceerde het Amsterdamse museum een virtuele tentoonstelling met een originele formule. Bezoekers van de website worden uitgenodigd op te treden als gastconservator. Iedereen mag tien voorwerpen uitkiezen en die in een persoonlijke vitrine plaatsen. Drie voorwerpen kunnen, met een toelichting, genomineerd worden voor een algemene vitrine. Op die manier stellen de bezoekers van de site met z’n allen een tentoonstelling samen. Eind van dit jaar zal die tentoonstelling ook in het echte museum een plaats krijgen.

Helaas valt het resultaat tegen. Zeven weken na de start hebben slechts drie bezoekers een bijdrage aan de algemene tentoonstelling geleverd. Bij de persoonlijke vitrines staat de teller op 40. Het aantal bezoekers is de afgelopen weken wel flink gestegen. Maar actief een bijdrage leveren is voor velen een stap te ver. Webmaster Aartjan Nooter wijt dit deels aan de verplichte aanmelding. Internetters zijn nu eenmaal schuw als het gaat om registratie. De aanmeldprocedure zal daarom worden versimpeld. Maar Nooter concludeert ook iets anders: ‘Bezoeker worden liever bij het handje genomen.’ De persoonlijke aanpak blijkt niet het succes dat ervan verwacht werd. De virtuele vitrine zou een mooie casus zijn voor Museums and the Web, aflevering 2002.

Blijft over de vraag waarom men zich in museumland kennelijk geen zorgen maakt over de opbrengst van een website. Een paar jaar geleden was men nog bang dat bestaande musea door internet zouden verdwijnen. Die angst bleek ongegrond. Maar waarom steken de cultuurhoeders dan zoveel energie in het web? Hopen de museumdirecteuren dat de website meer mensen naar the real thing zullen leiden? Misschien. De cijfers spreken dit in ieder geval niet tegen. Het museumbezoek stijgt nog steeds, iets wat van de oplages van kranten niet gezegd kan worden.

Sympathieker is het om aan te nemen dat de motieven toch vooral idealistisch zijn. Kijk eens wat een mooie spullen wij hebben. Zie hoe leerzaam en hoe interessant onze collectie is. Zo bezien hebben de virtuele musea wel degelijk nut. Neem bijvoorbeeld het grootste museumcomplex ter wereld. The Smithsonian Institution herbergt 150 miljoen objecten, verdeeld over zestien musea. Natuurlijk is een bezoek in levenden lijve iets totaal anders dan een virtuele verkenning, maar als je de hele collectie wilt bekijken ben je wel een leven lang bezig, en Washington is niet bepaald naast de deur. Voor de thuisblijvers is de prachtig vormgegeven website dan ook een zegen. Persoonlijk of niet, wel of niet winstgevend, The Virtual Smithsonian bewijst dat internet een prachtig medium blijft.

Oplichterij

Oplichting, fraude en zwendel zijn van alle tijden. Maar op internet is het wel heel makkelijk mensen voor de gek te houden.

Zoals Londen Speakers Corner heeft, zo had New York in de negentiende eeuw Centre Market. Kooplui en publiek kwamen naar de markt om producten te verhandelen en om te luisteren naar toespraken vanaf de zeepkist. In juli 1824 had een van de populairste redenaars, Lozier, een schokkende boodschap voor zijn toehoorders: Manhattan was te zwaar bebouwd. De helft van het eiland dreigde af te breken en in zee te verdwijnen.

Gelukkig had Lozier een oplossing voor het probleem. Manhattan moet van het vasteland worden afgezaagd, op volle zee worden omgedraaid en vervolgens met de zware, bebouwde kant weer aan New York worden vastgemaakt.

Dagenlang gonsde het in de stad van geruchten. Honderden werklui meldden zich voor het karwei. De dag dat het grote zagen zou aanvangen, verzamelden zich duizenden toeschouwers op de afgesproken plaats. Lozier was in geen velden of wegen te bekennen. Pas geleidelijk drong het tot de inwoners van New York door dat ze massaal bij de neus waren genomen.

‘De dag dat Manhattan bijna was afgezaagd’ is een fraai exemplaar van wat de Amerikanen een hoax noemen, het oplichten van het grote publiek. Het woord zelf dateert uit de achttiende eeuw en is waarschijnlijk afgeleid van Hocus Pocus. Op het web wemelt het van de hoaxes. Een groot aantal is verzameld in The Museum of Hoaxes.

Een bekende hoax is War of the Worlds, de radio-uitzending waarin Orson Welles aankondigde dat de aarde werd aangevallen door marsmannetjes. Wie nu via het web de oorspronkelijke uitzending beluistert, kan zich maar moeilijk voorstellen dat het hoorspel in 1938 hele volksstammen de stuipen op het lijf joeg.

Ook minder bekende voorbeelden van oplichterij hebben een plaatsje in het museum. Een wel heel ongeloofwaardig verhaal stamt uit de Amerikaanse burgeroorlog. In 1874 beschreef een legerarts in The American Medical Weekly hoe een kogel eerst het scrotum van een jonge soldaat doorboorde om vervolgens terecht te komen in de buik van een onschuldig burgermeisje. Beiden overleefden de schotwond. Negen maanden later schonk het meisje het leven aan een gezonde baby. Nog in 1959 werd het verhaal als waar gebeurd behandeld in een medisch tijdschrift. De Internet Encyclopedia of Hoaxes biedt een overzicht van sites met meer van dit soort sterke staaltjes.

Nauw verwant aan hoaxes zijn de urban legends. Dat zijn sterke verhalen die steeds opnieuw opduiken, al dan niet in een nieuw jasje gestoken. Internet is bij uitstek het domein van urban legends. Vooral nieuwsgroepen zijn beruchte verspreiders van ‘stadslegenden’. De makers van de website Snopes hebben zich erop toegelegd deze verhalen te verzamelen en zo mogelijk te achterhalen waar ze vandaan komen. Wie heeft niet zo’n oom die op verjaardagsfeestjes altijd het hoogste woord voert? Een bezoekje aan Snopes is voldoende om hem jarenlang van repliek te dienen.

Neem bijvoorbeeld het college urologie. De professor neemt een buisje urine, steekt zijn vinger erin, likt daaraan en stelt vast dat de patiënt een te hoog suikergehalte heeft. Vervolgens nodigt hij zijn studenten uit zijn voorbeeld te volgen. Wanneer iedereen aan de beurt is geweest, prijst de docent zijn pupillen om hun techniek. Maar, zo drukt hij ze op het hart, de belangrijkste medische eigenschap is een goede observatie. Als de studenten goed hadden opgelet, hadden ze gezien dat hij zijn wijsvinger in het buisje had gedoopt om vervolgens zijn middelvinger te proeven. Mening student medicijnen claimt het voorval zelf meegemaakt te hebben. Volgens Snopes dateert het verhaal uit de jaren dertig.

Er is ook een Nederlandse variant van Snopes. Daar is het verhaal te lezen van het onthoofde, gevilde lijk dat eind jaren zeventig ergens in de Bronx werd gevonden. Onderzoek van de patholoog-anatoom wees uit dat het niet om een mensenlichaam ging, maar om dat van een gorilla. Het kadaver bleek uit een vrachtwagen gevallen te zijn, die afkomstig was van de dierentuin. De vrachtwagen was op weg naar een hotdogfabriek…

Hoe deze site heet? www.broodjeaap.nl

Religie

Uitersten liggen op internet dicht bij elkaar. Wie denkt dat het web een groot Sodom en Gomorra is, heeft het mis. Ook langs de digitale snelweg staat menig godshuis.

Hilariteit alom toen de website van het Bisdom Den Bosch afgelopen februari meldde dat de Heilige Stoel overwoog een beschermheilige voor internet aan te wijzen. De keus was gevallen op de heilige Isidorus van Sevillia (556-636). Deze eer heeft de kerkleraar te danken aan zijn levenswerk Etymologiae, een encyclopedie in twintig delen die in haar veelomvattendheid vergelijkbaar is met het huidige internet.

Het bericht inspireerde Kees Fens tot een portret van de vrome aartsbisschop. Met veel kennis van zaken analyseert de Volkskrant-recensent het werk van de middeleeuwse wetenschapper. Maar op internet kon hij niets over Isidorus vinden: ‘Hij hield zich nederig verscholen.’

Hoe erudiet Fens ook moge zijn, thuis op internet is hij kennelijk niet. Een snelle zoektocht leert dat Isidorus zeer aanwezig is op het web. Voorstellen om hem patroonheilige van het web te maken, dateren al uit de jaren negentig. Volgens de websites HeiligenNet en The Catholic Community Forum heeft het Vaticaan dit verzoek zelfs al jaren geleden gehonoreerd. Dus last van RSI of gedwarsboomd door antichrist Bill Gates? Richt u tot Isidorus! Schietgebedjes zijn in alle mogelijke talen op het web voorhanden.

Religie doet het goed op internet. Een van de grootste portalen voor gelovigen is het Amerikaanse Beliefnet. Alle wereldreligies vinden er een plek, van christendom tot shintoïsme, van islam tot scientology. Per geloof is er een korte introductie met historische achtergronden, voornaamste dogma’s en een schatting van het aantal gelovigen. Wie meer wil weten kan kiezen uit een keur aan teksten, verwijzingen en boeklijsten.

Beliefnet is onderverdeeld in communities waar gelovigen gelijkgestemden kunnen ontmoeten. Daarnaast draagt de site een steentje bij aan interreligieuze tolerantie. Zo leert de afdeling over etiquette welke cadeaus toepasselijk zijn als je op kraamvisite gaat bij moslims, waarom je een Jehova’s getuige beter niet kunt feliciteren met zijn verjaardag, en hoe je een boeddhist het best kunt condoleren.

Ook voor bijbelstudie is internet een geweldig medium. Zelfs de beste papieren concordantie kan niet op tegen de mogelijkheden van het web. Een mooi voorbeeld is Crosswalk, een website waar kriskras door de Heilige Schrift kan worden gezocht. Daarbij is keuze uit meerdere historische Engelstalige bijbels. Wie wil, kan passages uit de Vulgaat vergelijken met bijvoorbeeld een Spaanse, Russische of Arabische vertaling. De site herbergt een schat aan uitleg en interpretatie.

Niet alleen godsvruchtige Amerikanen roeren zich, ook het Nederlandstalige web biedt geloof, hoop en liefde. Zo is ook onze ‘eigen’ Statenvertaling online te doorzoeken – helaas zonder nadere uitleg, maar wel rijkelijk geïllustreerd. Voor godsvruchtige kindertjes zijn bijbelse kleurplaten van het web te downloaden. Hun ouders kunnen terecht bij het Bijbel Archief, waar onder meer gepoogd wordt Genesis en Darwin met elkaar te verzoenen.

Stichtelijke sites zijn er dus genoeg, maar Nederlandse websites die zich richten op de geschiedenis van het christendom zijn amper te vinden. Het Bijbels Museum toont op zijn website de pronkstukken uit de collectie, maar daarmee houdt het wel zo ongeveer op. Hetzelfde geldt voor andere grote godsdiensten in ons land, zoals de islam.

Dat is jammer, want godsdienstgeschiedenis is erg populair. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de interesse voor de historische Jezus. Veel informatie over de man uit Nazareth is samengebracht in The Jezus Archives. Zoals zo vaak geven ook de buitenlandse kwaliteitsomroepen het goede voorbeeld. Son of God van de BBC en From Jesus to Christ van het Amerikaanse PBS bewijzen dat de bijbel ook voor niet-gelovigen geweldig interessant kan zijn.

Voorwaarde is wel dat computer en internetverbinding meewerken. En geloof het of niet, tijdens het schrijven van dit stukje is mijn gloednieuwe computer dusdanig gecrasht dat er met geen mogelijkheid meer beweging in te krijgen is. Sint-Isidorus heeft kennelijk belangrijker dingen te doen.

Asterix

Asterix en Obelix blijven niet alleen leuk vanwege de grappen, maar ook door de manier waarop wetenswaardigheden uit de oudheid aan bod komen. Op de officiële website, waar druïde Panoramix zijn toverdrank brouwt, is menig tekst ontleend aan Ovidius.

Anno 2001 is het hele internet bezet door de dotcom-industrie. Het héle internet? Nee, een klein aantal hobbyisten blijft moedig weerstand bieden aan keizer Pecunia.

Half maart was het weer zover. Een nieuw boek, deel 31 van de avonturen van Asterix, lag in de winkel. Net als in de gelijknamige opera van Verdi draait het in Asterix en Latraviataom een femme fatale. Veel verder gaat de vergelijking niet. Het is geen sterk verhaal, maar eigenlijk geldt dat voor alle albums die tekenaar Uderzo na het overlijden van scenarioschrijver Goscinny in 1977 maakte. Toch blijven de avonturen van Asterix en Obelix leuk. Door de steeds terugkerende grappen, maar ook door de losse manier waarop wetenswaardigheden over de oudheid de revue passeren.

Dat laatste was vorig jaar aanleiding voor het Leidse Rijksmuseum van Oudheden een succesvolle tentoonstelling in te richten met de strip als uitgangspunt. Inmiddels is de expositie verhuisd naar het Belgische Tongeren waar hij tot september is te zien in het Gallo-Romeins Museum. Op de website Asterix in Europa zijn de topstukken uit de tentoonstelling te bekijken. De nadruk ligt op de overeenkomsten tussen het Europa van toen en nu. In de begeleidende teksten wordt de geschiedenis wel erg gemakkelijk gebruikt als propaganda voor een verenigd Europa. Niet verwonderlijk, want hoofdsponsor van zowel tentoonstelling als website is de Europese Unie.

Heel wat leuker is een bezoek aan de officiële Asterix-website. In een gelikte vormgeving komt het ons welbekende dorpje tot leven. Stamhoofd Abraracourix foetert zijn dragers uit, Obelix houwt zijn menhirs en druïde Panoramix brouwt toverdrank. Bard Assurancerix drijft iedereen tot waanzin met zijn afgrijselijke gezang. De bewoners van het dorp gaan elkaar te lijf met rotte vis, Romeinen worden in de pan gehakt en natuurlijk ontbreekt ook de schranspartij niet waarmee ieder avontuur wordt afgesloten.

Spaarzaam komt ook de historische werkelijkheid aan bod. Zo leren we dat menhirs 4000 jaar ouder zijn dan de tijd van Asterix en dat het Gallische pantheon maar liefst vierhonderd goden telt. Voor wie zijn klassieken niet paraat heeft, wordt de herkomst van Latijnse citaten uitgelegd. De inhoud van menig tekstballonnetje blijkt ontleend aan Ovidius, Vergilius, Cicero of Tacitus. Het leukst is de afdeling met karikaturen van historische figuren en societysterren die in de strip voorkomen: van Freud tot de Beatles en van Sean Connery tot Chirac; allemaal hebben ze een rolletje meegespeeld. Enkele tekeningen lijken verdacht veel op de schilderijen van Rembrandt en Breugel.

Wie op zoek gaat naar historische waarheden in de Asterix-albums komt al snel terecht bij René van Royen. Deze Amsterdamse historicus schreef samen met classica Sunnyva van der Vegt het succesvolle Asterix en de waarheid. Vorig jaar maart verscheen een tweede deel: Asterix en de wereld. Asterix-liefhebber BéPé was zo enthousiast over Asterix en de waarheiddat hij een gelijknamige website opzette. En zoals zo vaak gebeurt op internet, nam hij het daarbij niet zo nauw met de auteursrechten. ‘Toen ik met mijn website begon, moest ik mijn pagina’s vullen. Het boek was daar perfect voor.’ Inmiddels zijn alle letterlijke passages van de website verwijderd. ‘De site is nu zo groot dat ik redelijk wat bezoekers per dag krijg. Ik vond het niet meer nodig om Van Royen en Van der Vegt nog langer te teisteren met mijn kopieën.’

Het eerste bericht in het gastenboek van BéPé is van Asterix-fan Hans Selles: ‘Mooie site! Ik zie dat je stevig bent wezen knippen plakken uit andere sites. Maar ach, wie doet dat niet?’ Selles zelf onderhoudt maar liefst twee websites over zijn favoriete stripheld, een Nederlandse en een Engelstalige. Daarop verzamelt hij de woorden waar de verschillende albums mee beginnen, in zoveel mogelijk talen en dialecten. De versie uit het Belgische Gent is het mooist: ‘We schrijven 50 v. Chr., Gallië is gieltegans bezet der de Romeinen… Gieltegans? Neeje. In én deurpke blijven courageuze Galliërs zich tegen d’invallers verzetten.’

Waterloo

Historische veldslagen hebben altijd tot de verbeelding gesproken. Hoe groter de afstand in plaats en tijd, hoe romantischer het strijdtoneel ons voorkomt. Ook internet kent zijn velden van eer.

‘La Garde recule!’ Het is 18 juni 1815, laat in de middag, en La Garde Impériale blaast de aftocht. Terstond breekt paniek uit in de gelederen van La Grande Armée. Als de elitetroepen van de keizer zelf zich al terugtrekken, moet de strijd welhaast zijn verloren! Eén, twee, vijf, tien man verbreken de linie. Al snel slaat het hele leger op de vlucht. Tot diep in de nacht wordt het achtervolgd door Britse, Hollandse en Pruisische soldaten. The Duke of Wellington heeft zijn grote rivaal Napoleon verslagen, de slag om Waterloo is voorbij.

Tot de overwinnaars behoort ook William Siborne, een achttienjarige kapitein uit Ierland. Eenmaal thuis kan Siborne de veldslag niet van zich afzetten. Gedreven begint hij informatie over het strijdtoneel te verzamelen. Honderden officieren schrijft hij aan met het verzoek te beschrijven wat zij zich van die dag in juni herinneren. Het doel van deze verzamelwoede is een maquette van het slagveld. Daarmee hoopt Siborne de glorie van Wellington voor toekomstige generaties veilig te stellen.

In 1838 is het diorama klaar. Op een oppervlakte van 38 vierkante meter heeft Siborne de omgeving van Waterloo nauwkeurig nagebouwd. Zeventigduizend beweegbare miniatuur soldaatjes geven de exacte positie weer van de legers van Wellington en Napoleon op het moment dat de keizerlijk garde de aanval afbreekt. Een kleine omissie: de Pruisische troepen ontbreken. Daarvoor had Siborne geen tin meer over. De maquette kostte hem zijn hele kapitaal. In 1849 sterft hij als een arm man. Maar zijn levenswerk blijft gespaard en is nog immer het pronkstuk van het National Army Museum in Londen.

Niet alleen William Siborne was bezeten van de slag bij Waterloo. De afgelopen tweehonderd jaar heeft de ondergang van Napoleon menig kunstenaar tot inspiratie gediend. Sporen van deze ijver zijn te vinden op internet. Zo schilderde de Franse marineschilder Louis Dumoulin een panorama van de slag, dat te zien is op de website van het bezoekerscentrum in Waterloo zelf. Wie meer wil weten over Napoleon, kan zijn hart ophalen bij The Napoleontic Gallery, een website boordevol beeldmateriaal over de kleine generaal en zijn tijd. En dan is er nog de firma Cranston, waar honderden reproducties van schilderijen vol krijgsgeweld bekeken en besteld kunnen worden. Ook vandaag de dag blijkt bezetenheid van veldslagen nog volop te bestaan.

Dat laatste blijkt des te meer uit de vele sites gewijd aan zogenaamd re-enactment; het naspelen van historische veldslagen. Verbazingwekkend veel volwassen mannen blijken zich geregeld te verkleden en vol ernst ten strijde te trekken voor respectievelijk King and Country of Revolution et Patrie. De heren nemen deze verkleedpartij zeer serieus, zo blijkt uit de vele foto’s en verslagen op hun homepages. Op de uitstekende website Napoléon is een hele lijst verwijzingen naar dergelijke pagina’s te vinden.

Ook de thuisblijvers laten zich niet onbetuigd. Zij zoeken het meer in de traditie van Siborne en leven zich uit met tinnen soldaatjes op de keukentafel. De soms prachtige resultaten zijn te zien op Histoire et Figurines, een website geheel gewijd aan oorlogvoering op de vierkante centimeter. Een rondje langs webwinkels die miniaturen verkopen leert dat we het hier niet hebben over een goedkope hobby. Om niet te eindigen als Siborne moet je een flinke zak geld meenemen: infanteristen, én dood, de ander stervende, 35 dollar.

Wie niet over een grote buidel beschikt maar toch de beroemde slag opnieuw wil beleven, kan kiezen voor een van de vele bord- of computerspelen met Waterloo als thema. Gaming is hot op internet, en strategiespellen vormen een populair subgenre. Een hele verzameling is samengebracht op The Napoleonic Wargame Pages. De mooiere spellen zijn te koop op cd-rom. Maar er zijn ook gratis spelletjes te spelen, tegen de computer of tegen andere internetters. Wie voorzichtig wil beginnen kan bij de BBC op eenvoudige maar zeer fraaie wijze de beroemde slag naspelen, naar keuze vanuit de positie van Wellington of Napoleon. De uitdaging is natuurlijk om de slag voor de Fransen winnend af te sluiten. Maar wees gewaarschuwd als u de keizerlijk garde in stelling brengt!

Trafalgar
In een ander Londens Museum, The National Maritime Museum, staat een andere confrontatie tussen de Britten en Napoleon centraal. Op een meters hoog scherm wordt daar een driedimensionale weergaven van de slag bij Trafalgar vertoond. Op basis van gedetailleerde historische beschrijvingen is de slag waaraan het mooiste plein van de stad zijn naam dankt weer tot leven gewekt. We zien het vlaggenschip van Admiraal Nelson langszij zijn Franse tegenhanger komen, we volgen de clash die volgt. Tot slot zijn we ervan getuige hoe Nelson de slag wint en zijn leven verliest. Helaas laat de site van het NMM de bedoelde animatie niet zien. Wel is er van vier verschillende zeeslagen van Nelson een interactieve animatie te vinden.

Tiananmen

De Tiananmen Papers veroorzaakten veel ophef in de Westerse Wereld. Op het web is weinig te vinden over de onthullende documenten. Toch zijn fragmenten via internet in China opgedoken.

Er zijn historische beelden die voor altijd op je netvlies staan: Roosevelt, Churchill en Stalin in Jalta, Jackie Kennedy gebogen over een achterbank in Dallas, de handdruk van Arafat en Rabin, Jeltsin op een tank, dansende mensen op de Muur. En dat andere beeld uit 1989: een Chinese student in zijn eentje tegenover een rij tanks. Steeds als ik die foto zie vraag ik me af wie de confrontatie gewonnen heeft.

De afgelopen maand stond het bloedbad op het Plein van de Hemelse vrede weer even in de belangstelling. Begin januari verschenen The Tiananmen Papers, een verzameling documenten die weergeeft hoe de politieke top reageerde op de studentenprotesten in de lente van 1989. In detail valt te lezen hoe binnen het politbureau een machtstrijd woedde tussen haviken en meer hervormingsgezinde partijbonzen. Uiteindelijk moest Deng Xiaoping, partijleider in ruste, de knoop doorhakken. Uit angst voor zijn eigen hachje besloot Deng het leger in te zetten. Schattingen over het aantal slachtoffers van de ontruiming van het plein lopen uiteen van enkele honderden tot duizenden betogers.

De documenten zijn verzameld en naar Amerika gesmokkeld door een partijfunctionaris die opereert onder het pseudoniem Zhang Liang. Naar eigen zeggen gelooft Liang nog steeds in het communisme, maar wil hij met zijn daad de conservatieve vleugel in de partij in diskrediet brengen. Zo zou de broodnodige politieke hervorming weer een kans krijgen. Als Liang in zijn opzet slaagt, zouden de Tiananmen Papers wel eens tot de belangrijkste documenten uit de geschiedenis kunnen gaan horen.

Des te vreemder is het dat er op internet amper iets te vinden is over de bloemlezing uit de partijstukken. Alleen op Usenet, het discussiegedeelte van internet, houdt het gekonkel van de apparatsjik de gemoederen bezig. Inzet is de vraag in hoeverre de stukken echt zijn. Sommige discussiedeelnemers vrezen dat Liang een vervalser is. De drie gerenommeerde sinologen die de documenten vertaalden zijn overtuigd van hun authenticiteit.

Gelukkig is los van de Papers wel informatie voorhanden over de studentenopstand. Het Amerikaanse televisieprogramma Frontline besteedt op haar website uitgebreid aandacht aan de gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede. Naast een uitgebreide chronologie zijn originele documenten, beeld- en geluidsfragmenten en interviews te raadplegen.

Interessant zijn enkele essays over de rol van de westerse media. Een van de stukken stelt dat de slachting op het plein in het westen werd overdreven omdat het studentenprotest bij westerse journalisten nostalgische gevoelens over de eigen studentenrevolte van de jaren zestig losmaakte. Het echte bloedbad zou elders in Peking plaats hebben gevonden. Bovendien zouden de slachtoffers geen studenten, maar arbeiders zijn geweest. Deze stelling is gebaseerd op het relaas van een van de schaarse ooggetuigen van het schoonvegen van het plein.

De interactieve rondleiding over het plein doet wat knullig aan. Voor een impressie van Tiananmen kunt u beter te rade gaan bij Peter Danford. Hij maakte meerdere panoramafoto’s die het idee geven dat je op het plein zelf staat. Politiek correct is de site niet: de grote roerganger Mao vult om de haverklap je scherm en over de studentenprotesten is geen letter te vinden.

De (Europese) nieuwssite Insite China biedt een genuanceerde blik op de voorgeschiedenis en het verloop van de Chinese lente. De schaarste aan beeldmateriaal laat zich prima aanvullen door de site van Christus Rex, waarop honderden (soms gruwelijke) foto’s van de opstand zijn verzameld. U kunt zich de moeite besparen de begeleidende teksten te lezen. Objectiever feitenmateriaal is te vinden op de sites van het Amerikaanse National Security Archive en van Amnesty International.

Wie in China zelf een van de genoemde sites probeert op te roepen, stuit overigens op een zwart scherm. Ook al is China de grootste groeimarkt voor het internet – het aantal Chinezen dat toegang heeft tot het web verdubbelt ieder half jaar – de aard van het web en die van het politieke systeem in de Volksrepubliek zijn met elkaar in strijd. De een staat voor zo groot mogelijke openheid, de ander voor absolute staatscontrole van alle informatie.

Omdat de Chinese machthebbers niet blind zijn voor de economische voordelen van het web, proberen zij deze twee uitersten in een onmogelijke spagaat met elkaar te verenigen. Zo heeft iedere Chinese provider een censor en loopt alle internetverkeer via een server van de overheid. De afgelopen maand bleek de Chinese Muur in cyberspace niet waterdicht. Fragementen van The Papers doken op in chatrooms en nieuwsgroepen.

Het online aanbieden van de Tiananmen Papers kan dus wel degelijk grote invloed hebben op de politieke situatie in het land. Voorwaarde is dat de uitgever haar commerciële belangen aan de kant schuift en de stukken op het web publiceert. Voor Uitgeverij Contact, die de Nederlandse vertaling Het Tiananmen Dossier uitbracht, een mooie kans om iets goed kan maken van de smakeloze slagzin waarmee zij het boek aanprijst: Materiaal waar geheime diensten een moord voor zouden doen nu in de boekhandel.